De blauwe beker

Tije is als peuter echt een mannetje. In zijn keuze voor speelgoed(auto’s, vliegtuigen, blokken), in zijn spel(schieten, piraat, ridder) en in zijn kleurkeuze: zwart, grijs, donkergroen en vooral blauw. Blauwe kleren, blauwe borden en bakjes, blauwe bekers. Alles blauw! 

Met de komst van zusje Mara doet de kleur roze zijn intrede. Tot groot ongenoegen van Tije. In die eerste jaren ontstaat er onbewust en onbedoeld een soort kleurcodering: Tije ‘is’ donkerblauw, Mara roze en heel soms paars. Dat gaat lang goed, vooral omdat kleuren als groen en oranje door Tije ook getolereerd worden. Hij accepteert een andere beker als de blauwe versie niet beschikbaar is (lees: in de vaatwasser staat), schoorvoetend en bij gebrek aan beter. 

In de kleuterleeftijd lijkt deze voorkeur voor blauw sterker te worden. Vooral de blauwe beker lijkt steeds belangrijker te worden. Maar Mara wordt ouder en alles wat haar grote broer heeft en doet is machtig interessant. Zo ook de blauwe beker! Met Tije op school en een vrije keuze uit de plastic bekers kiest Mara dan ook ineens voor de blauwe beker. Tije steigert, wordt boos, wil zijn blauwe beker. Een kleuter die zijn zin niet krijgt, de blauwe beker niet met zijn zusje wil delen. En hoewel er in die tijd bij mij op de achtergrond alarmbelletjes klinken, speelt het vermoeden van autisme nauwelijks een rol. Laat staan dat ik besef dat er een relatie is tussen dit gedrag en (zijn) autisme.

Mara en Tije worden ouder, de adoratie van Mara voor haar grote broer maakt steeds meer plaats voor (gezonde) rivaliteit. Als ze kans ziet pakt ze -nu expres- de blauwe beker, tot grote ergernis van haar broer. Ik keur haar gedrag niet goed, maar de reactie van haar broer evenmin, het is immers maar een beker!

Als Tije een jaar of 6 is vinden wij het gedrag rondom de blauwe beker niet (meer) gepast voor een kind van zijn leeftijd. De weerstand tegen roze passend bij zijn haantjesgedrag, maar het drama eromheen volkomen onnodig. De blauwe bekers ‘verdwijnen’ vervolgens een paar weken uit de keukenkast. Met enige weerstand worden andere kleuren getolereerd. Als we Tije een roze beker of bakje voorzetten weigert hij het op te eten of te drinken.

Een jaar later sluit de Gesper aan in ons gezin. We bespreken veel samen, waaronder het dwangmatig claimen van de blauwe beker. In ons gesprek met haar wordt ineens duidelijk wat die blauwe beker voor Tije betekent. Dat het zoveel meer is dan een blauwe beker, dan zijn zin willen krijgen. Hoe basaal ook: die blauwe beker biedt hem veiligheid. Het is voorspelbaar: ‘de blauwe beker is voor mij’! En hoewel het voor ons zo onbelangrijk lijkt, de kleur van een beker, voor Tije is het een anker. En hoe groter de onrust om hem heen, hoe belangrijker die blauwe beker voor hem is. 

We leren dat dit soort ‘kleine’ dingen, hoe onbelangrijk ze voor ons ook lijken, bijdragen aan het verschil tussen rust en overprikkeling. En dus besluiten wij dat Tije per direct het alleenrecht krijgt op de blauwe beker. We bespreken dit met Mara en Tije. Mara sputtert, ze begrijpt niet waarom zij niet uit de blauwe beker mag drinken. We leggen uit dat het voor Tije fijn is dat hij weet dat de blauwe beker voor hem is. Als ze dat wil mag zij een andere kleur kiezen, die we dan alleen voor haar bewaren. En zo gebeurt het: als we drinken inschenken, krijgt Tije een blauwe beker. Een toetje, chips… noem maar op; het gaat voor Tije in een blauw bakje.

Nog geen twee weken later staan we in de keuken om drinken in de schenken. Terwijl ik de bekers uit de kast pak zegt Tije: “Mara, als je wil mag jij vandaag wel de blauwe beker!? Dan neem ik wel de groene!”. Mara neemt dankbaar de blauwe beker aan, Tije drinkt zijn ranja uit de groene. En ik sta erbij en kijk ernaar… vol verbazing.

En nu, nog later, begrijp ik hoe het werkt, of in ieder geval begrijp ik beter hoe het werkt. Het gaat om de basis. De voorspelbaarheid geeft zekerheid, grip op een wereld die voor hem (hen) niet altijd veilig voelt. Die blauwe beker zijn rustpunt na een dag vol prikkels. En als deze voorspelbaarheid, deze veiligheid er is, blijkt er ineens weer veel mogelijk. Hoe meer zekerheid, hoe flexibeler Tije zich toont. Dit is het principe van het ‘basisfundament’ en maakt voor iemand met ASS het verschil tussen leven en overleven. 

Zo klein als de(afwijkende) kleur van een beker, zo zit het dagelijks leven vol met heel veel kleine dingen. Dingen die wij niet opmerken of niet belangrijk vinden, maar waarin Tije juist zijn rust of onrust vindt. Hier bedacht op zijn maakt de wereld voor hem zoveel beter te behappen, en daarmee wordt ons leven ook een stuk makkelijker. De ‘blauwe beker’ is voor ons inmiddels het synoniem geworden voor deze basisveiligheid.


Eva (37) woont samen met haar vriend en drie kinderen: een zoon en twee dochters. Al op IMG-20170708-WA0019jonge leeftijd vertoont haar zoon Tije kenmerken van ASS. Hoewel alarmbellen bij haar steeds sterker beginnen te rinkelen, vindt zij hierin lang geen erkenning. Inmiddels de diagnose ASS gesteld. In het afgelopen schooljaar blijkt het regulier onderwijs onvoldoende passend. Tije is na de zomervakantie gestart op het Speciaal Basis Onderwijs. Na een maandenlange is nu ook de gespecialiseerde begeleiding opgestart.

Voor de website van ParASSchute schrijft Eva om de week een blog over het traject waar zij nu met haar gezin in gaat.  In “Onder Moeders ParASSchute’ deelt zij haar zoektocht naar duidelijkheid, begrip, handvatten en rust.


 

Uit de school geklapt

Over een klein uurtje begint het kinderfeestje van Mara. De laatste voorbereidingen in volle gang als mijn telefoon gaat. Ik zie op mijn display dat het een telefoontje van school is, laat de slingers vallen en neem op. Tot mijn verbazing is het dit keer niet de leerkracht van Tije, maar de directeur.

Het verhaal dat ik hoor komt nauwelijks binnen, mijn hoofd vol met alles wat er nog moet gebeuren. Maar de woorden verdringen die drukte: “boos … geëscaleerd … geslagen … kan zo niet … verantwoordelijkheid … beschermen… niet meer op deze school”. Hoewel ik inmiddels mijn hoofd er wel bij heb, kan ik niet bevatten wat ik hoor. Ik begrijp uit het gesprek dat Tije inmiddels weer rustig is. Dat hij nu op de kamer van de directeur aan het spelen is. Of ik direct kan komen om te bespreken hoe we nu verder moeten. Ik vertel dat ik nog wat laatste voorbereidingen moet treffen voor het kinderfeestje (Mara gaat niet opnieuw inleveren om een actie van Tije) en dat ik zo snel mogelijk naar school kom.

Terwijl ik de laatste voorbereidingen tref, neemt mijn onrust toe. De woorden die ik heb gehoord krijgen steeds meer betekenis, leiden tot steeds meer vraagtekens. Is het op school dusdanig geëscaleerd dat Tije op school niet langer welkom is? Wat is er dan precies gebeurd? Ik probeer het gesprek terug te halen, maar al snel besef ik dat ik dat er maar één plaats is waar die duidelijkheid te vinden is. Voldoende voorbereid voor het kinderfeestje is het is tijd om naar school te gaan. Voor een gesprek waarvan ik mij afvraag of je hier ooit voldoende op voorbereid kunt zijn. Op de fiets overheerst het gepieker om Tije de voorpret om het feestje van Mara.

Ik meld mij bij de directeur, waar Tije ontspannen op de grond speelt. Uit het gesprek met de directeur maak ik op dat Tije zich heeft misdragen in de klas en de waarschuwingen van de leerkracht genegeerd heeft. De afspraak is dat de leerkracht hem in zo’n geval naar de directeur brengt, dat hij daar tot rust kan komen zonder zijn klasgenoten mee te zuigen in zijn storende gedrag. Tije heeft zich hier zowel verbaal als fysiek heftig tegen verzet en de leerkracht heeft hem vast moeten pakken om hem uit het lokaal te krijgen. Onderweg heeft hij uitgehaald, de leerkracht een stomp verkocht en, tot grote schaamte van de leerkracht zelf, heeft zij hem een tik verkocht. Dit mag uiteraard niet gebeuren en het heeft de leerkracht doen beseffen dat er ook aan haar toleratie een grens zit. Ze wil “dit kind niet meer in de klas”. Het behoort tot de taak van de directeur om de veiligheid voor zowel de leerlingen als het personeel te waarborgen. In deze situatie is dat niet langer mogelijk, zo stelt de directeur, en nu is het zaak om zo snel mogelijk een andere school voor Tije te vinden. Of ik misschien een idee heb welke school of scholen ik hiervoor wil benaderen.

Ik ben blij met mijn stevige schoenen, maar het voelt alsnog alsof de grond onder mijn voeten wordt weggevaagd. Er is geen pasklare oplossing. Ik spreek af dat ik Tije de komende dagen thuis houd. Ik parkeer mijn emoties. Al het andere kan later, moet later: er moet een feestje gevierd worden. Zelfs zeven vrolijk feestende meiden bieden onvoldoende afleiding. Met een paar keer flink slikken en een opgepoetste glimlach sla ik mijzelf die middag door. En dan is er tijd om te verwerken wat ik heb gehoord, nou ja, een begin te maken met het verwerken ervan.

Om het verhaal helder te krijgen spreek ik later ook met de leerkracht, en uiteraard met Tije zelf. Ik kan niet anders dan concluderen dat Tije zich, terwijl hij ‘in het rood’ zit, volledig in het nauw gedreven voelt. Zijn lichaam volledig overgeleverd aan de kracht die de leerkracht op hem uitoefent om hem te verplaatsen. En dan weet hij een arm los te krijgen en haalt uit. Waarschijnlijk meer uit frustratie en onmacht, dan een gerichte agressieve actie. Dat de leerkracht hem vervolgens heeft geslagen heeft hij niet eens geregistreerd.

Mijn omgeving is verontwaardigd, geschokt maar vooral onverbiddelijk. Uiteraard hoort een leerling niet te slaan. Maar dat de leerkracht, de professional, slaat is onacceptabel. Ik begrijp het en tegelijkertijd weet ik maar al te goed hoe het voelt als Tije daadwerkelijk al het bloed onder je nagels vandaag heeft weten te krijgen, en vervolgens ook nog eens fysiek agressief wordt. Ik weet als geen ander dat er dan uiteindelijk een einde komt aan de tolerantie. En moet ik tot mijn schaamte en verdriet toegeven dat ik hem weleens een klap heb gegeven, in een moment van zwakte maar vooral van onmacht.

We besluiten om Tije nog niet te vertellen dat hij niet langer welkom is op school. In ieder geval niet zolang wij zelf geen antwoorden hebben. Voor nu houden wij het erop dat hij een paar dagen thuis blijft om even tot rust te komen. Tije is blij, opgelucht.

En na een weekend van gesprekken, van piekeren en vooral van niet weten hoe het nu verder moet, gaat opnieuw de telefoon. Opnieuw de directeur van school. Ik krijg te horen dat er overleg is geweest en dat Tije de volgende dag kan starten in de andere middenbouwgroep. Ik kan mijn oren nauwelijks geloven. Een paar dagen geleden hoor ik immers dat mijn zoon niet meer welkom is op school. Mijn verstand kan er niet bij, mijn gevoel wil er niet aan. Na alle onzekerheid in de afgelopen dagen, heb ik hierover geen twijfels. Alles in mij schreeuwt NEE! Dit kan niet, dit wil ik niet! Het besef dat ik hierin zowel mijn eigen grenzen, als de grenzen van Tije moet bewaken duidelijker dan ooit. Wat de mogelijkheden dan ook zijn, dit is geen oplossing.

Ik onderdruk mijn inwendige geschreeuw en beperk mij tot het benoemen van de meest praktische kanttekeningen. Ik benoem dat ik mijn twijfels heb bij deze ‘oplossing’ en dat ik dit eerst met de vaders en onze Gesper wil bespreken. En zo bouw ik wat rust in, tijd, om te bedenken en bespreken wat we nu moeten, kunnen, willen. En tot er een plan is, een oplossing is waar wij als ouders achter staan, blijft Tije thuis!


Eva (36) woont samen met haar vriend en drie kinderen: een zoon en twee dochters. Al op jonge leeftijd vertoont haar zoon kenmerken van ASS. Hoewel alarmbellen bij haar steeds sterker beginnen te rinkelen, vindt zij hierin lang geen erkenning. Na een heftig schooljaar waarin haar zoon bijna onherkenbaar veranderd lijkt, is begeleiding thuis gestart. Inmiddels de diagnose ASS gesteld. Waar thuis voorzichtige stappen worden gezet, lijkt de situatie op school helaas steeds lastiger te worden.
Voor de website van ParASSchute schrijft zij om de week een blog over het traject waar zij nu met haar gezin in gaat. In “Onder Moeders ParASSchute’ deelt zij haar zoektocht naar duidelijkheid, begrip, handvatten en rust.